Het verschil tussen recht van doorgang en recht van uitweg
maandag, 20 maart 2017 00:00

Beoordeel dit item
(1 Stem)

Hoewel beide begrippen op het eerste zicht op elkaar lijken, bestaat er wel degelijk een belangrijk verschil.

Beide rechten zijn zogenaamde erfdienstbaarheden, maar daar houdt de gelijkenis dan ook bij op. Als er dus sprake is van een aangekocht stuk grond waarlangs iemand 'weg neemt', is het van belang dat je je bij het inplanten van een gebouw (of de oprichting van een constructie) toch anders opstelt.

Recht van uitweg

Dit is een wettelijk voorziene erfdienstbaarheid: het feit dat het perceel is ingesloten en geen/onvoldoende toegang verleent tot de openbare weg, maakt dat de gebruiker of eigenaar (of de huurder/pachter) over het recht beschikt om een uitweg te vorderen over het erf van de buren. Dit gebeurt tegen een betaling die overeenkomt met de schade die veroorzaakt zou kunnen worden. Er moet echter wel altijd gekozen worden voor de minst schadende oplossing. Als de insluiting het gevolg is van een verdeeld nalatenschap of verkoop (bij delen van een geheel), dan kan dit recht enkel worden gevraag over de voordien tot hetzelfde erf behorende percelen.

Een recht van uitweg moet het gebruik van elk terrein mogelijk maken: gezien de exploitatie een leidmotief is betekent dit dat het recht kan veranderen, afhankelijk van de wijzigingen betreffende het gebruik van het erf. Loopt op een weide achter een bouwperceel alleen een paard te voet naar en van de stal, dan betekent dit echter niet dat dit altijd zo blijft. Indien de eigenaar van het perceel de grond wil beplanten met bijvoorbeeld maïs, dan heeft hij ook doorgang met alle vereiste landbouwvoertuigen. Er wordt best rekening gehouden met deze mogelijkheid bij het uitwerken van het bouwproject.

Recht van door -of overgang

Deze erfdienstbaarheid kan enkel door een overeenkomst bevestigd worden, en vereist geen insluiting. Het recht van overgang op een perceel moet blijken uit de akte bij aankoop. Voor een recht van overgang is geen vergoeding voorzien (tenzij dat in de overeenkomst anders wordt vermeld). Het recht houdt daarbij ook niet op als de rechtsgenieter hetzelfde resultaat bekomt op een andere manier.

Een recht van overgang kan wel onderworpen zijn aan beperkingen in tijd (het recht is bijvoorbeeld enkel van toepassing op een bepaald persoon, tot deze komt te overlijden), en op het vlak van omvang. Bijvoorbeeld, als de desbetreffende doorgang enkel voorzien is voor voetgangers, dan kan de genieter van dat recht niet aanvragen om het recht op een andere manier te gebruiken (bijvoorbeeld met een tractor of auto). Tenslotte kan een recht van overgang effectief door ongebruik verloren gaan, maar dan moet het wel gaan om een ongebruik van minstens 30 jaar.